Ik werk op de personeelsdienst van een het stadsbestuur uit het homogeen Nederlandse taalgebied. Mag de stad in haar wervingsadvertentie vermelden dat voor een welbepaalde functie de kennis van een andere taal (bv. Frans) vereist is? Mag het stadsbestuur een test over de kennis van deze taal afnemen?
Kandidaat-personeelsleden van een plaatselijke dienst uit een gemeente zonder speciale taalregeling (bv. het stadsbestuur van Gent) moeten volgens de Taalwet Bestuurszaken uitsluitend aantonen dat ze de taal van het gebied kennen. Dat bewijs wordt geleverd doordat ze een diploma in de taal van het gebied hebben, of doordat ze vooraf een taalexamen hebben afgelegd (art. 15 Taalwet Bestuurszaken). Dat is ook logisch, want deze diensten gebruiken in principe uitsluitend de streektaal als bestuurstaal.
Nochtans is het niet uitgesloten dat sommige personeelsleden, omwille van de aard van de functie die ze uitoefenen (bv. op de stedelijke integratiedienst, op de toeristische dienst, de dienst internationale betrekkingen…) in bepaalde situaties een vreemde taal moeten gebruiken. Daarom kan ook aanvaard worden dat er voor welbepaalde vacatures vermeld wordt dat de kennis van een vreemde taal een pluspunt is. Deze taalkennis mag wel niet als voorwaarde worden gebruikt (het bestuur kan een kandidaat dus niet afwijzen op grond van de vaststelling dat hij de gevraagde taal niet kent). Strikt genomen mag het bestuur deze kennis ook niet testen, want dat zou neerkomen op de organisatie van een taalexamen waarin de Taalwet Bestuurszaken niet voorziet.
Moet een Brusselse overheid me in het Nederlands te woord staan?
Een Brusselse dienst moet altijd zo georganiseerd zijn dat hij Franstaligen en Nederlandstaligen vlot moet kunnen helpen in hun eigen taal. In bepaalde Brusselse diensten wordt van de personeelsleden verwacht dat ze tweetalig zijn.
Moet een Brusselse spoeddienst me in het Nederlands kunnen aanspreken?
De taalwet Bestuurszaken is van toepassing in de Brusselse openbare ziekenhuizen maar niet in de privéziekenhuizen. In een privéziekenhuis moet men u niet noodzakelijk in het Nederlands helpen, in een openbaar ziekenhuis wel.
Er bestaat één uitzondering op die regel. De spoeddiensten, ook die van de privéziekenhuizen, zijn altijd onderworpen aan de taalwetgeving en moeten dus een tweetalige dienstverlening garanderen. Op elke Brusselse spoeddienst moet men u in het Nederlands kunnen helpen.
Zijn De Post, Belgacom en Proximus onderworpen aan de taalwetgeving?
De Post, Belgacom en Proximus zijn geen echte openbare besturen, maar worden voor de taalwetgeving wel als dusdanig beschouwd. Volgens artikel 36, §1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, vallen de autonome overheidsbedrijven onder het toepassingsgebied van de taalwet Bestuurszaken. Dat geldt ook voor hun dochterondernemingen die ze betrekken bij hun openbare dienstverlening, voor zover het overheidsaandeel in het kapitaal van die dochterondernemingen meer dan de helft bedraagt (zoals Proximus).
De taal waarin de bestemmingen worden aangeduid langs de autosnelwegen, verschilt vaak naar gelang van de plaats waar het bord staat. Welke regels zijn daarop van toepassing?
De aanduiding van bestemmingen op de autosnelwegen is onderworpen aan de taalwetgeving. In het homogeen Nederlandse taalgebied worden de bestemmingen dus uitsluitend in het Nederlands aangeduid, ook als de aangeduide bestemming in een ander taalgebied ligt. Alleen als er geen officiële vertaling van de plaatsnaam bestaat, wordt de originele naam gebruikt.
Voor de aanduiding van buitenlandse bestemmingen schrijft de wegcode voor dat de bestemming ook wordt aangeduid in de taal van het land of het gebied waar die bestemming gelegen is, maar dan tussen haakjes en in een ander lettertype, bijvoorbeeld: Rijsel (Lille).
Hoe komt het dat de bussen van de Lijn die naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest rijden, tweetalige elektronische lichtkranten hebben?
De buslijnen van de openbaarvervoermaatschappijen die verschillende gemeenten bedienen, moeten worden beschouwd als diensten waarvan de werkkring zich uitstrekt over verschillende gemeenten (maar niet over het hele land). De Taalwet Bestuurszaken bepaalt dat gewestelijke diensten waarvan de werkkring zich ook uitstrekt over het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, particulieren in de twee talen moeten kunnen bedienen. Daarom geven de elektronische lichtkranten van de bussen die naar het Brusselse rijden, hun mededelingen zowel in het Nederlands als in het Frans.
Mijn Franstalige buurman ontvangt het aanslagbiljet voor de verkeersbelasting in het Frans, hoewel we in een niet-faciliteitengemeente van het Nederlandse taalgebied wonen. Hoe valt dat te verzoenen met de taalwetgeving?
De verkeersbelasting is een belasting die wordt geheven door de federale Staat, d.w.z. dat de federale overheidsdiensten instaan voor de heffing en de inning van deze taks. De aanslagbiljetten worden verstuurd vanuit de centrale dienst gevestigd in Brussel. De Taalwet Bestuurszaken (artikel 41) schrijft voor dat dergelijke diensten in hun betrekkingen met burgers elk van de drie talen (Nederlands, Frans, Duits) gebruiken waarvan die het gebruik gevraagd heeft. Als uw buurman bij de administratie van de verkeersbelasting bekend staat als Franstalig, dan zal de dienst met hem in het Frans communiceren, ongeacht zijn woonplaats. Alleen als de taalaanhorigheid niet bekend is, zal deze dienst er moeten van uitgaan dat de taal van het gebied van zijn woonplaats ook de taal van de particulier is tot wie hij zich richt.
Regelmatig stel ik vast dat anderstalige burgers aan het loket van het postkantoor in mijn gemeente (uit het homogeen Nederlandse taalgebied) zonder problemen in het Frans worden bediend. Is dat wettelijk en hebben anderstalige klanten het recht om te vragen dat ze in hun eigen taal te woord worden gestaan?
Het antwoord op deze vragen is niet eenvoudigweg “ja” of “neen”. Als plaatselijke dienst uit het homogeen Nederlandse taalgebied, is het postkantoor in beginsel verplicht om de klanten uitsluitend in het Nederlands te bedienen.
Daarop bestaat één wettelijke uitzondering: uit hoffelijkheid mogen de loketbedienden inwoners uit een ander taalgebied wel in hun eigen taal te woord staan; ze zijn daartoe wel niet verplicht (artikel 12 van de Taalwet Bestuurszaken). Ook ten aanzien van in klanten die in het buitenland gevestigd zijn wordt er geen taal opgelegd. De klanten hebben wel in geen enkel geval het recht om te vragen dat een andere taal wordt gebruikt. Alles hangt dus af van de welwillendheid.
Het hoger vermelde wettelijke hoffelijkheidsprincipe wordt in de praktijk soms uitgebreid. De toezichtsinstanties staan oogluikend toe dat er in uitzonderlijke gevallen ook andere talen dan het Nederlands worden gebruikt door de diensten uit het Nederlandse taalgebied, zelfs ten aanzien van burgers die daar gevestigd zijn. Zo heeft de Vaste Commissie voor Taaltoezicht in het verleden al geoordeeld “dat het beperkte gebruik van het Engels door Vlaamse ambtenaren in het kader van de regularisatieprocedure voor vreemdelingen geen overtreding van de taalwetgeving in(houdt)”. Ook laat de Vlaamse overheid haar ambtenaren vrij om, in het kader van een klachtenprocedure, anderstalige klachten in aanmerking te nemen en te behandelen. Deze uitzonderingsgevallen zijn echter niet vastgelegd bij wet en hebben steeds betrekking op zeer bijzondere omstandigheden. Daarom is het onmogelijk om de conclusie te trekken dat het ook in een postkantoor mogelijk is om anderstalige klanten uit het Nederlandse taalgebied in hun eigen taal te bedienen. Het systematische gebruik van een vreemde taal is in elk geval onverzoenbaar met het eentalige karakter van het postkantoor. Het is echter zeer moeilijk om op algemene wijze te omschrijven wanneer dat het geval is (is dat volgens u het geval, dan kunt u daarover klacht indienen bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht).
Welke overheden vallen onder het toepassingsgebied van de omzendbrief Peeters?
De Vlaamse regering heeft de omzendbrief Peeters (voluit: omzendbrief BA-97/22 van 16 december 1997 over het taalgebruik in de gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied) uitgevaardigd op grond van haar bevoegdheid om toe te zien op de correcte naleving van de taalwetgeving in bestuurszaken in het kader van het bestuurlijk toezicht op de gemeenten.
Onder "gemeenten" moet hier worden verstaan: alle gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de gemeenten (college van burgemeester en schepenen, gemeenteraad, gemeentelijke adviesraad, de gemeentelijke administratieve diensten enz.) en alle personen of verenigingen (bv. vzw’s) die door de gemeente zijn belast met een opdracht van algemeen belang. Het gaat dus bv. niet om postkantoren (dat zijn geen diensten die deel uitmaken van de gemeentelijke administratie) of buitendiensten van de federale administraties die gevestigd zijn in de gemeente, NMBS-stations, provinciale diensten enz.
De Vlaamse regering is ook bevoegd voor de uitoefening van het bestuurlijk toezicht op de OCMW’s. Op grond van deze bevoegdheid heeft ze de bepalingen van de omzendbrief Peeters ook van toepassing verklaard op de OCMW-besturen en de eraan verbonden diensten. Dat is gebeurd door de zogenaamde omzendbrief Martens (voluit: Omzendbrief WEL-98/01van 9 februari 1998)
In welke taal moet een OCMW-bestuur uit een faciliteitengemeente in Vlaanderen communiceren met een bestuur uit het Waalse Gewest?
De Taalwet Bestuurszaken legt niet alleen vast welke taal de openbare diensten moeten gebruiken in hun communicatie met de burgers, maar ook tegenover andere besturen. Het taalgebruik in de betrekkingen met andere diensten is wel slechts gedeeltelijk geregeld. Voor de plaatselijke diensten uit het Nederlandse taalgebied (zoals de OCMW’s) bepaalt de Taalwet Bestuurszaken uitsluitend dat er Nederlands moet worden gebruikt in contacten met andere diensten uit dat gebied, met de diensten waaronder hij ressorteert en met de diensten uit Brussel-Hoofdstad (dat is logisch, want deze diensten zijn tweetalig).
Er bestaat echter geen taalregeling voor communicatie met besturen uit een ander taalgebied. In deze situaties kan de ambtenaar in kwestie zelf uitmaken hoe “hoffelijk” hij zich opstelt. Als we het basisconcept van de taalwetgeving in bestuurszaken als uitgangspunt nemen (het territorialiteitsbeginsel), dan is het aangeraden – niet verplicht! - dat het OCMW-bestuur Nederlands gebruikt in de betrekkingen met alle diensten die verplicht zijn om Nederlands te kunnen gebruiken in hun betrekkingen met particulieren. Het gaat onder meer om: de diensten waarvan de werkkring zich uitstrekt over het hele land (dit zijn de centrale en uitvoeringsdiensten, maar ook om plaatselijke diensten uit faciliteitengemeenten uit het Franse taalgebied (bv. de OCMW’s van Komen, Moeskroen, Vloesberg). Net zoals het niet verplicht is om in deze gevallen Nederlands te gebruiken, kan de ambtenaar nooit worden verplicht om een Franse brief te schrijven naar diensten uit een ander taalgebied.
De bedrijven die in opdracht van de politiediensten fout geparkeerde voertuigen wegslepen zijn geen echte openbare besturen, maar private commerciële ondernemingen. Zijn ze bijgevolg niet onderworpen aan de taalwetgeving?
De Taalwet Bestuurszaken laat niet toe dat een overheid ontsnapt aan de toepassing van de taalvoorschriften door activiteiten uit te besteden aan private ondernemingen (die in beginsel niet onderworpen zijn aan de Taalwet Bestuurszaken). Artikel 50 van de Taalwet Bestuurszaken bepaalt immers uitdrukkelijk dat de private medewerker van de overheid voor de uitbestede activiteiten onderworpen blijft aan de taalwetgeving. Concreet: een takelfirma die in opdracht van de politie wagens wegsleept, moet voor alle handelingen en documenten die daarmee verband houden, de Taalwet Bestuurszaken in acht nemen.
In het lastenkohier dat wordt opgesteld voor de toekenning van de opdracht, wordt gewoonlijk trouwens ook uitdrukkelijk bepaald dat de takelfirma over personeel moet beschikken dat de burger in de taal van het gebied (in Brussel: Nederlands en Frans) moet kunnen te woord staan. Voor de facturen geldt dat deze moeten worden opgesteld in de taal van de klant of, als zijn taalaanhorigheid niet bekend is, in de taal van het gebied waarin zijn woonplaats gelegen is.
Het gemeentebestuur van een niet-faciliteitengemeente in Vlaanderen weigert de handtekening op een akte te legaliseren omdat die akte in het Frans gesteld is. Kan dit?
Een decreet uit 1981 schrijft voor dat inwoners van het homogeen Nederlandse taalgebied zich uitsluitend in het Nederlands tot de plaatselijke diensten van dat gebied mogen wenden. Daardoor moeten de documenten bij het gemeentebestuur van een taalhomogene gemeente in principe in het Nederlands worden ingediend.
De legalisatie van een handtekening heeft echter niets te maken met de inhoud van het document waarop de handtekening geplaatst werd. De ambtenaar moet zich met andere woorden niet uitspreken over de inhoud van het document. Daarom is het verenigbaar met de taalwetgeving dat ook anderstalige documenten ter legalisatie worden voorgelegd.
In een gemeenschapscentrum van de Vlaamse Gemeenschapscommissie in Brussel wordt een anderstalige film vertoond. Ik veronderstel dat deze instelling, die toch deel uitmaakt van de Vlaamse overheid, eigenlijk uitsluitend het Nederlands mag gebruiken. Is deze filmvertoning dan wel taalwettelijk in orde?
Het vertonen van films maakt deel uit van het verspreiden van cultuur, overeenkomstig de statuten van de vereniging. Volgens de vaste rechtspraak van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht is een geluidsfilm een kunstwerk dat derhalve niet onder de toepassing valt van de Taalwet Bestuurszaken.
Ik werk op een postkantoor in een Vlaamse gemeente zonder taalfaciliteiten. De centrale dienst in Brussel sturen regelmatig tweetalige berichten naar de bedienden van ons kantoor. Mag dit wel?
De Post, Belgacom en Proximus zijn geen echte openbare besturen, maar worden voor de taalwetgeving wel als dusdanig beschouwd. Ze moeten dus de Taalwet Bestuurszaken volgen. Die wet legt niet alleen vast in welke taal de diensten de burger te woord moeten staan, maar regelt ook het taalgebruik tussen de diensten onderling.
Volgens de Taalwet Bestuurszaken moeten de centrale diensten – die tweetalig zijn – in hun contacten met de diensten uit een eentalig gebied de taal van dat gebied gebruiken. De wet laat met andere woorden niet toe dat de centrale diensten van de Post tweetalig Frans-Nederlandse formulieren aan de postkantoren in het Nederlandse taalgebied sturen. Het speelt trouwens geen rol of het postkantoor al dan niet in een faciliteitengemeente is gelegen (art. 39, §2, Taalwet Bestuurszaken).
Is het toegestaan dat een notaris een tweetalige aanplakbrief laat verspreiden over de verkoping van onroerende goederen die gelegen zijn in een gemeente zonder specifieke taalregeling van het Nederlandse taalgebied?
De taalregeling voor notarissen is een complexe aangelegenheid. Naar gelang van de handelingen die ze stellen, zijn deze openbare ambtenaren onderworpen aan verschillende taalregelingen, of is het taalgebruik vrij. We raden u dan ook aan om met ons contact op te nemen indien u met een concrete situatie wordt geconfronteerd.
Grosso modo kan het onderscheid worden gemaakt tussen drie hypotheses:
• ofwel treedt de notaris op als “medewerker van de rechterlijke macht” en stelt hij handelingen van bestuurlijke aard dan is hij onderworpen aan de Taalwet Bestuurszaken;
• ofwel stelt hij handelingen van gerechtelijke aard en dan is hij onderworpen aan de Taalwet Gerechtszaken;
• in alle andere gevallen is het taalgebruik vrij en wordt de taal bepaald door de partijen op wie de handelingen – bv. het opstellen van een verkoopakte - betrekking hebben.
In het geval van de aanplakbrieven over de openbare verkoping van onroerende goederen moet er daarom eerst worden nagegaan of het gaat om een aankondiging van een gerechtelijke openbare verkoop, dan wel of het een vrijwillige openbare verkoping betreft.
Als het gaat om een door het gerecht bevolen openbare verkoping, dan wordt de aankondiging beschouwd als een bericht of een mededeling in de zin van de Taalwet Bestuurszaken. Omdat de notaris dan wordt beschouwd worden als een plaatselijke dienst in de zin de van de Taalwet Bestuurszaken, mag hij de aankondiging eigenlijk uitsluitend in het Nederlands stellen als het goed gelegen is in een gemeente zonder speciale taalregeling van het Nederlandse taalgebied.
Dat principe geldt voor alle officiële bekendmakingen waartoe de notaris door de wet verplicht is. Voor niet-verplichte bekendmakingen zoals aankondigingen in een advertentieblad (waarvan geacht wordt dat deze eerder commercieel en informatief van aard zijn) geldt deze verplichting niet en is de taalvrijheid van toepassing.
Betreft het een vrijwillige openbare verkoping, dan geldt strikt genomen eveneens een principiële taalvrijheid, hoewel ook hier de Vaste Commissie voor Taaltoezicht vindt dat, “overeenkomstig de geest” van de Taalwet Bestuurszaken, de notaris de Taalwet Bestuurszaken moet volgen. Deze mening is wel gebaseerd op een ruime lezing van de taalwetten en is niet algemeen aanvaard.
Een federale overheidsdienst (FOD) heeft op zijn website een wetenschappelijke studie gepubliceerd. De gepubliceerde studie is uitsluitend in het Frans beschikbaar. Nederlandstalige geïnteresseerden beschikken uitsluitend over een samenvatting in het Nederlands en een vertaling van de conclusies. Is dat wel correct?
Dat hangt ervan af. Als men de Taalwet Bestuurszaken strikt zou toepassen, dan moet de studie ook integraal in het Nederlands beschikbaar zijn. Van zodra de studie wordt gepubliceerd, is het immers een bericht of een mededeling volgens de taalwet. Volgens artikel 40, tweede lid, van de Taalwet Bestuurszaken, stellen de centrale diensten zoals de hoofdbesturen van de federale overheidsdiensten hun berichten en mededelingen immers in het Frans en in het Nederlands.
Toch moet het bovenstaande genuanceerd worden. Wanneer de FOD de studie niet zelf heeft verricht of er niet aan meegewerkt heeft, maar deze uitgevoerd werd door een externe instantie (die daarvoor niet de opdracht heeft gekregen), dan valt de uitvoering van deze studie niet onder het toepassingsgebied van de Taalwet Bestuurszaken. Het zou dan onredelijk zijn om te verwachten dat de FOD die de studie wil publiceren, moet zorgen voor een integrale vertaling van de publicatie.
Heeft de FOD de opdracht gegeven tot de studie, of heeft hij zelf meegewerkt aan de te publiceren studie dan is de Taalwet Bestuurszaken wel van toepassing en moet alles ook in het Nederlands beschikbaar zijn.
artikel 41, §1, Taalwet Bestuurszaken luidt: “De centrale diensten maken voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend”.
artikel 12, Taalwet Bestuurszaken luidt: “Iedere plaatselijke dienst, die in het Nederlandse, het Franse of het Duitse taalgebied is gevestigd, gebruikt uitsluitend de taal van zijn gebied voor zijn betrekkingen met de particulieren, onverminderd de mogelijkheid die hem gelaten wordt aan de particulieren, die in gevestigd zijn in een ander taalgebied, te antwoorden in de taal waarvan de betrokkenen zich bedienen”.
advies Vaste Commissie voor Taaltoezicht, nr. 32.058 van 5 en 22 mei 2000 over het taalgebruik van ambtenaren in het kader van de regularisatieprocedure.
Punt 3.4 van omzendbrief VR2002/20 van 1 februari 2002: Vanuit het principe van de hoffelijkheid en beleefdheid moet de klachtenbehandelaar ook klachten in behandeling nemen die gesteld zijn in een courante taal (zoals Frans of Engels) en die op een eenvoudige wijze (d.w.z. zonder inschakeling van een tolk of een vertaaldienst) door de klachtenbehandelaar begrepen worden. In deze gevallen moet de communicatie naar de burger echter niet in een andere taal dan het Nederlands worden gevoerd.
zie artikel 7 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. In het kader van het bestuurlijk toezicht kan de toezichthoudende overheid controleren of de onder toezicht staande overheid de wet of het algemeen belang niet heeft geschonden. In de omzendbrief Peeters geeft de regering aan onder welke omstandigheden zij vindt dat de taalwetgeving in bestuurszaken niet geschonden wordt.
artikel 15, §1 van de Taalwet Bestuurszaken luidt: “In de plaatselijke diensten, die in het Nederlandse, in het Franse of in het Duitse taalgebied gevestigd zijn, kan niemand tot een ambt of betrekking benoemd of bevorderd worden, indien hij de taal van het gebied niet kent.
De toelatings- en bevorderingsexamens geschieden in dezelfde taal.
De kandidaat wordt enkel tot het examen toegelaten voor zover uit de vereiste diploma’s of studiegetuigschriften blijkt dat hij zijn onderwijs in meergenoemde taal heeft genoten. Bij ontstentenis van een dergelijk diploma of getuigschrift moet de taalkennis vooraf door een examen worden bewezen.”
In sommige gevallen aanvaardt de Vaste Commissie toch dat in bijzondere gevallen dat de kennis van andere dan in de taalwetten voorgeschreven taal of talen wordt geëist. De wervende dienst moet dan wel kunnen motiveren dat daarvoor “redenen (bestaan) die inherent zijn aan het ambt” en dat die taalkennis de normale uitoefening van dat ambt mogelijk moet maken. In dat geval moet de verantwoordelijke overheid daarvoor vooraf de toestemming van de VCT vragen. (Zie in dat verband advies nr. 33.147-151-152 van 31 januari 2002 over de benoemings- en bevorderingsvoorwaarden voor een medewerker communicatiebeleid bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie waarin “noties Frans” vermeld werden).
Volgens het territorialiteitsbeginsel is er binnen een welomschreven territorium slechts één taal de officiële taal (in Brussel: twee talen).
Vlaams decreet van 30 juni 1981 houdende aanvulling van de artikelen 12 en 33 van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken wat betreft het gebruik van de talen in de betrekkingen tussen de bestuursdiensten van het Nederlandse taalgebied en de particulieren.
“in principe”, want het is mogelijk dat er voor welbepaalde aangelegenheden bijzondere of internationale voorschriften bestaan en die hebben voorrang op het Vlaamse decreet dat slechts een algemene regeling vastlegt.
De legalisatie van een handtekening is de procedure waarbij een ambtenaar de echtheid van een handtekening of de hoedanigheid van de ondertekenaar bevestigt.
advies VCT, nr. 4.319 van 24 september 1977, nr. 14.016 van 1 april 1982, nr. 21.116 van 22 februari 1990; nr. 29.233 van 7 oktober 1999.
artikel 39, §2, van de Taalwet Bestuurszaken luidt: “In hun betrekkingen met de plaatselijke en gewestelijke diensten uit het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied, gebruiken de centrale diensten de taal van het gebied. Zij gebruiken het Nederlands in hun betrekkingen met de diensten die gevestigd zijn in de randgemeenten”.
zie bv. advies VCT, nr. 30.113/36/II/PN van 10 juni 1999. De VCT maakt bovendien een onderscheid tussen het geval waarin de notaris optreedt in de gemeente van zijn standplaats en het geval waarin hij daarbuiten optreedt. Als hij optreedt in de gemeente van zijn standplaats, dan volgt hij de taalregeling van die gemeente. Treedt hij op buiten zijn standplaats, dan moet hij de taalregeling volgen van de plaatselijke diensten van de gemeente waar het onroerend goed is gelegen (bv. een notaris uit Brussel-Hoofdstad die een onroerend goed uit Zellik verkoopt).